Terwijl het vertrouwen in de landelijke politiek historisch laag is, ontstaan lokaal waardevolle experimenten die laten zien hoe democratische vernieuwing wél kan. De formerende partijen kunnen zich laten inspireren door deze decentrale innovaties en investeren in hun omkadering en opschaling. Zo kan een positieve wisselwerking ontstaan tussen lokaal en landelijk bestuur – een betekenisvolle stap naar een sterkere democratie en hernieuwd vertrouwen tussen burgers en instituties.

Meer formeren dan besturen op Rijksniveau

De landelijke politiek lijkt de laatste tijd meer te formeren dan te besturen, terwijl de maatschappelijke uitdagingen zich opstapelen. Sinds het aantreden van kabinet Rutte III op 10 januari 2022 kenden we 879 dagen met een volwaardige regering, maar inmiddels ook al 524 dagen een demissionair kabinet dat vooral de lopende zaken afhandelt. Nederland loopt op verschillende vlakken vast en achteruit.

Het vertrouwen van burgers in de landelijke politiek is de laatste jaren dan ook tanende en inmiddels historisch laag. Slechts 29 procent van de Nederlanders heeft nog vertrouwen in de landelijke politiek. Volgens de OECD Survey on the Drivers of Trust in Public Institutions (2024) heeft 44 procent van de Nederlanders ‘hoog of redelijk hoog’ vertrouwen in de nationale regering, tegenover 54 procent in het lokale bestuur. Nederland scoort daarmee in Europees perspectief nog relatief goed, maar de trend is onmiskenbaar neerwaarts.

Deze bestuurlijke stagnatie heeft niet alleen beleidsmatige gevolgen, maar tast ook de relatie tussen burger en politiek aan. De bezorgdheden die de ROB recent signaleerde over responsiviteit, representatie en participatie zijn daarmee actueler dan ooit.

Bezorgdheden over responsiviteit, representatie en participatie

Volgens het ROB-signalement Naar een sterkere democratie. Voor, met en van burgers moet een goed functionerende democratie drie dingen waarmaken: burgers moeten zich gehoord voelen (responsiviteit), zich herkennen in wie hen vertegenwoordigt (representatie), en kunnen meedoen aan besluitvorming (participatie). De ROB maakt zich zorgen over hoe het daarmee gesteld is – en recente cijfers geven daar reden toe.

Uit het Continu Onderzoek Burgerperspectieven (SCP, 2024) blijkt dat 43 procent van de burgers vindt dat de politiek onvoldoende naar hen luistert. 57 procent ervaart dat politici te weinig opkomen voor mensen zoals zij. Bovens en Wille duiden dit in het boek Diplomademocratie treffend: ‘Nederland is een diplomademocratie – een land waarin de hoogste diploma’s het voor het zeggen hebben.’ Die ongelijke vertegenwoordiging en gebrek aan herkenning voeden politiek wantrouwen.

Ook op het vlak van participatie is er werk aan de winkel. Inwoners geven hun gemeente gemiddeld een 5,9 voor de manier waarop ze bij nieuw beleid worden betrokken – geen hoog cijfer, al is er een lichte stijgende lijn. Opvallend is dat 87 procent wil weten wat er met hun inbreng gebeurt en 63 procent graag meer betrokken zou worden.

Het ROB-signalement benadrukt dat herstel van vertrouwen een gezamenlijke opgave is van burgers en overheid. Hierin ligt een aanknopingspunt voor de toekomst: burgers tonen op lokaal niveau meer vertrouwen in hun bestuur dan landelijk. Lokaal ontstaan initiatieven die laten zien dat democratische vernieuwing mogelijk is. De logische vervolgvraag is dan ook: wat kan Den Haag leren van wat lokaal goed werkt?

Experimenteren en leren op decentraal niveau

Decentralisatie heeft ook een groot leerpotentieel. Gezaghebbende denkers als Tiebout (people voting with their feet), Hirschman (voice en exit) en Oates (het decentralisatietheorema) wezen er al op dat decentrale overheden die dichter bij hun inwoners staan beter kunnen inspelen op lokale voorkeuren en dat concurrentie tussen gemeenten innovatie kan stimuleren.

Juist op lokaal niveau kunnen bestuurders en inwoners makkelijker samen nieuwe aanpakken uitproberen. Meerdere gemeenten kunnen gelijktijdig experimenteren, elkaar observeren en zo sneller leren wat werkt – met beperkte risico’s als iets mislukt. Waar centraal beleid vaak log en uniform is, biedt lokaal bestuur ruimte voor variatie, creativiteit en maatwerk.

De uitdaging is nu om die lokale kennis en ervaring beter te benutten. De Rijksoverheid kan meer doen om succesvolle initiatieven te verzamelen, te delen en te versterken. Leren van decentrale innovaties vraagt geen nieuwe structuren, maar een open houding en een cultuur die experimenteren en innoveren ondersteunt.

Inspiratie voor het Rijk uit decentrale innovaties

In gemeenten, waterschappen en provincies ontstaan talloze initiatieven die laten zien dat bestuurlijke responsiviteit en democratische vernieuwing van onderop mogelijk zijn. Zo experimenteren gemeenten volop met AI-toepassingen die ambtenaren helpen een betere dienstverlening te bieden, terwijl tegelijk wordt nagedacht over ethiek, transparantie en verantwoording. Rotterdam ontwikkelde een politiek-bestuurlijk waardenkader voor het gebruik van algoritmes en Amsterdam stelde modelcontractvoorwaarden op voor verantwoorde inkoop en gebruik van algoritmische toepassingen. Deze initiatieven tonen dat lokale overheden niet louter afwachten, maar ook actief zoeken naar een zorgvuldige balans tussen technologische vernieuwing en publieke waarden.

Ook op het vlak van de toegankelijkheid van bestuur en zinvol contact gebeurt veel. Gemeenten werken aan begrijpelijkere taal, proactieve dienstverlening, betere begeleiding van burgers en het voorkomen van digitale uitsluiting. Terwijl er op Rijksniveau weinig beweegt, geven lokale overheden zo wel gevolg aan de oproep van de Staatscommissie Rechtsstaat om de gebroken belofte van de rechtsstaat te herstellen. Zulke initiatieven laten zien dat rechtsstatelijke waarden niet alleen in wetten, maar juist ook in dagelijks bestuurlijk handelen vorm krijgen.

Tot slot werken decentrale overheden – naar aanleiding van de Wet versterking participatie op decentraal niveau – volop aan het vervangen van hun inspraakverordening door een bredere participatieverordening, die betrokkenheid regelt bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Daarbij groeit ook aandacht voor de stem van jongeren en toekomstige generaties. Zo wordt er geëxperimenteerd met jongerenberaden en jongerenbudgetten.

De rode draad is duidelijk: lokale overheden laten zien dat het kan. Het Rijk hoeft niet alles zelf uit te vinden, maar kan ook leren van wat lokaal al werkt – door succesvolle innovaties te verzamelen, te versterken en te delen. Wie de democratie wil vernieuwen en versterken, doet er goed aan eerst te kijken naar wat er dichtbij al bloeit.

Deze blog verschijnt in een serie over onze democratie van de raadsleden van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB).

De auteur

Jurgen Goossens is hoogleraar Staatsrecht en voorzitter van de afdeling Staatsrecht, Bestuursrecht en Rechtstheorie aan de Universiteit Utrecht.