Op donderdag 15 januari jl. vond de Nieuwjaarslunchbijeenkomst 'Samen-werken aan weerbaarheid' plaats. Ditmaal rondom het thema weerbaarheid – een onderwerp dat voor het gehele openbaar bestuur en de samenleving actueel is. Te midden van toenemende geopolitieke spanningen en conflicten worden we van verschillende kanten opgeroepen onszelf weerbaarder te maken, met als doel een veerkrachtige samenleving én openbaar bestuur. Maar wie heeft hier wanneer en wat in te doen en te laten?
In de Koninklijke Schouwburg in Den Haag werd dit actuele onderwerp vanuit het openbaar bestuur, de wetenschap en de samenleving belicht. Na een inleiding van Mariëtte Hamer - de nieuwe voorzitter van de ROB - gingen we onder leiding van Tom Jessen met diverse gasten in gesprek over hoe een weerbare samenleving eruitziet, wat dit vraagt van het openbaar bestuur en wat overheid en burger van elkaar kunnen verwachten in tijden van crisis.
Hierbij treft u een uitgebreid verslag en sfeerimpressie van de bijeenkomst aan.
Verslag
Mariëtte Hamer, voorzitter van de ROB sinds 1 november 2025, opende de bijeenkomst met een uitgebreid welkomstwoord. Ze schetste het huidige politieke en bestuurlijke speelveld: de afgelopen jaren zien we steeds vaker grote maatschappelijke ontwrichting en nemen de geopolitieke spanningen toe. Van verschillende kanten worden we opgeroepen om ons - als samenleving én als openbaar bestuur – weerbaarder te maken. Vandaag de dag spelen veel dreigingen, zoals de oorlog in Oekraïne en hybride dreigingen. Of de situatie in Venezuela, en wat dat betekent voor de Caribische landen en gebieden in ons Koninkrijk. Ook dreigingen door digitale en technologische ontwikkelingen brengen nieuwe kwetsbaarheden met zich mee. Net als dreigingen door natuurfenomenen en klimaatverandering.
Weerbaarheid is dan ook veel meer dan alleen een veiligheidsvraagstuk, gaf Mariëtte aan. Elke crisis, of die nu ontstaat door een pandemie, een cyberincident, een natuurramp of een oorlog, wordt uiteindelijk ook een maatschappelijke en sociale crisis. We werden daaraan herinnerd tijdens de hevige sneeuwval van begin januari. Voor veel van ons voelde het weer even als thuiszitten in coronatijd. Het isolement dat toen zo sterk was, werd opnieuw voelbaar. En voor mensen met een klein netwerk, zijn deze risico’s extra groot. Die kwetsbaarheid wordt in verschillende crisisscenario’s steeds weer zichtbaar en daar zullen we wat aan moeten doen.
Dagvoorzitter Tom Jessen viel na het openingswoord van Mariëtte vervolgens gelijk met de deur in huis: ‘Wat wordt er nou precies bedoeld met weerbaarheid?’ Daarmee werd meteen een belangrijk punt aangestipt, zo stelde Mariëtte. Woorden zoals weerbaarheid, veerkracht en veiligheid worden nu vaak door elkaar gebruikt maar betekenen niet hetzelfde. Zonder conceptuele helderheid praten we snel langs elkaar heen en riskeren we dat beleid op verkeerde aannames wordt gestoeld. Dit is een belangrijke gedachte om mee te nemen tijdens de gesprekken die nog volgen.
In haar bijdrage benadrukte Karen van Oudenhoven (directeur Sociaal en Cultureel Planbureau) dat weerbaarheid vaak te smal wordt opgevat als iets dat gaat over geopolitieke dreiging, cyberaanvallen, energiezekerheid, noodpakketten en draaiboeken. Daarmee maken we weerbaarheid uiteindelijk ook kwetsbaar. Het gaat niet alleen om het kunnen omgaan met externe dreiging, maar vooral om veerkracht vanuit de samenleving zelf: om sociaal vertrouwen, onderlinge solidariteit en collectieve actie. Maatschappelijke veerkracht zit in het vermogen van mensen, gemeenschappen en instituties om zich aan te passen aan ontwrichting, om terug te veren en, als dat nodig is, te veranderen. Het gaat niet alleen om systemen die blijven draaien, maar om mensen die elkaar weten te vinden als het spannend wordt, zoals zichtbaar werd tijdens de coronapandemie en de overstromingen in Limburg, waar buren elkaar hielpen, spontaan organiseerden en verantwoordelijkheid namen.
De overheid heeft hierin drie rollen te vervullen: een eerste rol is die van een receptievere overheid, met een gelijkwaardigere relatie tussen burger en overheid. Een overheid die luistert, leert en zich laat corrigeren. Met de ‘Roos van Leary’ liet Karen zien dat een overheid die vooral stuurt, controleert en alles dichtregelt juist afwachtend of defensief gedrag oproept, terwijl een volgende en vriendelijke opstelling uitnodigt tot initiatief en betrokkenheid. Een receptieve overheid nodigt burgers vroeg in het proces uit om mee te denken, erkent ervaringskennis als volwaardige kennis en ziet burgers niet als klanten, maar als mede-dragers van het publieke belang. Dit sluit volgens Karen aan bij het ROB-advies Gezag herwinnen (2023), waarin onder andere wordt gepleit te investeren in de betrokkenheid van de overheid met de samenleving om daarmee haar gezag te versterken.
Dat geldt ook voor sociale initiatieven, die in potentie zeer veerkrachtig zijn, maar vaak vastlopen op bureaucratie en ingewikkelde subsidievoorwaarden. Als persoonlijk voorbeeld noemde Karen de Meevaart in Amsterdam-Oost: een bewonersinitiatief dat aanvankelijk geen subsidie kon krijgen omdat er geen jaarplan lag, terwijl juist de kracht ervan lag in het meebewegen met wat bewoners zelf aandroegen. Pas toen de gemeente bereid was om samen te zoeken naar afspraken die voor beide partijen werkten, kwam er ruimte.
Daarnaast wees Karen op de rol van de overheid als verbinder en als beschermer. Als verbinder door de meerstemmigheid van de samenleving te erkennen en ontmoeting tussen verschillende groepen te blijven stimuleren, zodat gescheiden leefwerelden niet verder uit elkaar groeien en verschillende ervaringen een plek krijgen in het publieke debat. Daarbij hoort onderkennen dat veerkracht ongelijk is verdeeld: mensen met weinig hulpbronnen verliezen sneller wat ze hebben en zijn daardoor kwetsbaarder in crisistijd. Een ongericht beroep op zelf- en samenredzaamheid vergroot die kloof en ondermijnt solidariteit. Beleid moet zich daarom expliciet richten op mensen met weinig buffers en sociale bescherming moet niet worden gezien als zwaktebod, maar als investering in collectieve weerbaarheid. Haar oproep was om weerbaarheid niet alleen als veiligheidsvraagstuk te zien, maar vooral als sociaal vraagstuk - waarin vertrouwen geven, ruimte laten voor maatschappelijke initiatieven en gelijkwaardig samenwerken met burgers centraal staan.
Vraag uit de zaal
Vanuit het publiek gaf Mark Levels (hoogleraar sociologie Universiteit Maastricht) aan dat hij zich volledig kon vinden in het verhaal van Karen en dat hij in zijn eigen onderzoek naar hybride dreigingen tot vergelijkbare aanbevelingen is gekomen. Tegelijkertijd stelde hij de vraag die dan blijft liggen: ’hoe dan?’. Hoe ga je hier concreet mee om, zeker als je kijkt naar het tijdsgewicht van veel politieke en bestuurlijke opgaven, ook tegen de achtergrond van de aanbevelingen van het rapport van Mario Draghi over het Europese concurrentievermogen?
In haar reactie op deze vraag benadrukte Karen dat ook het Draghi-rapport sociale inclusiviteit benoemt als voorwaarde voor een sterke economie. Ze erkende dat we allerlei ontwikkelingen in de samenleving zien die negatief zijn, maar wees er tegelijkertijd op dat er voorbij dat beeld ook veel mooie initiatieven ontstaan. Juist op decentraal niveau ziet zij hele goede voorbeelden, en dat stemt haar positief. Daarbij deed zij een duidelijke oproep aan Den Haag: durf de macht een beetje uit handen te geven. Durf dingen los te laten en accepteer dat niet alles zal slagen. Volgens Karen hebben we vergaande controlemechanismen en verantwoordingskaders ontwikkeld die niet zijn opgewassen tegen dit soort vraagstukken. We zullen moeten gaan nadenken over wat voor type verantwoording past bij sociale initiatieven. Daar ligt een grote opdracht voor het openbaar bestuur: wacht niet tot de politiek je oproept om dit te doen, maar ga zelf aan de slag.
Martijn Vroom (burgemeester Leidschendam-Voorburg) nam het stokje over en gaf een concreet voorbeeld van hoe gemeenten werken aan maatschappelijke weerbaarheid: de pilot in zijn gemeente voor het opzetten van noodsteunpunten, in samenwerking met onder andere de GGD, brandweer, politie, huisartsen en andere maatschappelijke partners. Daaruit blijkt dat er al veel gebeurt in de samenleving, vaak meer dan we doorhebben, en dat bestaande netwerken en professionals een belangrijke rol spelen. Zo merkte hij op dat huisartsen vaak al goed voorbereid zijn op verschillende scenario’s zoals stroomuitval, en dat zij een duidelijk beeld hebben van kwetsbare mensen in hun praktijk en periodiek huisbezoeken afleggen.
Bij het opstellen van noodsteunpunten gaat het volgens hem ook om meer dan één centrale locatie. Wat is bruikbaar voor opvang en ondersteuning? Een kazerne alleen is niet voldoende: ook plekken – die bijvoorbeeld al zijn aangemerkt als stemlokaal - zoals kerken, verzorgingscentra en bibliotheken - kunnen worden ingezet. Op deze manier wordt de bestaande infrastructuur in de samenleving benut.
Martijn wees daarnaast op de spanning tussen praktische initiatieven en bestaande verantwoordings- en toezichtkaders. Gemeenten mogen wettelijk geen geld geven zonder plan, en toezichthouders vragen voortdurend om verantwoording, terwijl dit soort maatschappelijke initiatieven juist om flexibiliteit vraagt. Binnen die kaders zoekt hij constant naar mogelijkheden om ruimte te creëren, bijvoorbeeld door burgers verantwoording te laten afleggen met behulp van foto’s in plaats van uitgebreide schriftelijke verslagen.
Uit eerdere ervaringen weet Martijn dat een succesvolle pilot nog geen garantie biedt dat er daarna structureel geld beschikbaar komt. Gemeenten hebben commitment en vertrouwen nodig vanuit het Rijk, met erkenning dat zij weten hoe de samenleving werkt en hoe zij lokaal de veerkracht kunnen versterken.
Vraag uit de zaal
Een vraag vanuit het publiek kwam van Annelies van Vark (Ministerie van Defensie en recent gepromoveerd op de veranderende rol van de krijgsmacht in liberale democratieën). Zij wees op voorbeelden uit onder andere Denemarken en Zweden, waar een whole of government-aanpak en een whole of society-aanpak wordt gehanteerd. Hierbij werken alle overheidslagen samen, en ook bedrijven, maatschappelijke organisaties en inwoners zijn betrokken. In sommige van deze landen is zelfs een specifieke bewindspersoon aangesteld voor dit thema. Inwoners zijn daar bovendien meer op elkaar ingesteld. Dit zie je ook bij andere gemeenschappen, bijvoorbeeld op Curaçao, maar ook binnen bepaalde gemeenschappen in Europees Nederland. Zij vroeg zich af: “Wat kunnen wij hier nou van leren?”
Martijn beaamde dit betoog en benadrukte dat we ons zeker moeten laten inspireren door weerbare gemeenschappen, ook binnen ons Koninkrijk en daarbuiten. De gemeenschapszin is volgens hem een inspirerend startpunt. Concreet kunnen sleutelfiguren uit deze gemeenschappen actief worden betrokken om mee te denken over hoe deze opgave gezamenlijk kan worden opgepakt en hoe alle gemeenschappen meekomen.
Daarna bracht Pim van den Dool (bestuurslid Nationale Jeugdraad), het perspectief van jongeren voor het voetlicht. Hij schetste hoe divers die groep is, maar ook hoeveel er tegelijk op deze generatie afkomt. Jongeren groeien op met de nasleep van corona, zorgen over klimaat en geopolitieke spanningen, en met heel concrete persoonlijke vraagstukken zoals bestaanszekerheid en toekomstperspectief. Veel jongeren zijn financieel ongezond, ondanks dat zij hard werken. De wooncrisis, de hoge kosten van studeren en baanonzekerheid maken hun positie extra kwetsbaar.
Pim benadrukte dat jongeren van nature veerkrachtig zijn, maar dat deze veerkracht onder druk staat door de stapeling van sociale en maatschappelijke ontwikkelingen. Weerbaarheid en veerkracht gaan volgens hem ook over het vermogen om je aan te passen aan veranderende omstandigheden. Juist dat aanpassingsvermogen wordt uitgehold wanneer de basis te onzeker is. Daarom blijft het essentieel om jongeren eerst een stevige basis te geven om veerkrachtig te kunnen zijn.
Tegelijkertijd liet hij zien waar de meerwaarde van jongeren ligt voor een weerbare samenleving. Jongeren brengen innovatiekracht en creativiteit voor nieuwe ideeën. Ze starten initiatieven, denken buiten bestaande kaders en kunnen met hun frisse blik bijdragen aan oplossingen. Een weerbare samenleving vraagt juist om creatief en innovatief denken, en juist daar kunnen jongeren binnen hun gemeenschappen van grote betekenis zijn. Bovendien zijn jongeren vaak fysiek gezond en bereid om de handen uit de mouwen te steken wanneer dat nodig is.
Wat vraagt dit van het openbaar bestuur? Pim verwoordde het credo van de Nationale Jeugdraad helder: ‘Niets over jongeren, zonder jongeren.’ Beleid moet niet óver jongeren worden gemaakt, maar mét hen. Dat betekent dat jongeren actief en vanaf het begin betrokken moeten worden bij beleidsvorming. De NJR heeft daarom een Nationale Jeugdstrategie opgesteld, gebaseerd op onderzoek onder 12.000 jongeren over uiteenlopende thema’s, zoals klimaat, mobiliteit en de digitale wereld. Samen met verschillende ministeries en andere partners voeren zij hierover het gesprek. Juist een integrale aanpak van deze thema’s kan bijdragen aan het versterken van de weerbaarheid van jongeren. Daarnaast wees Pim op zijn betrokkenheid bij het SER-jongerenplatform, waar sterk is ingezet op de invoering van een generatietoets: beleid moet niet alleen worden beoordeeld op de korte termijn, maar ook op de gevolgen voor huidige en toekomstige generaties. Inmiddels ligt de eerste leidraad Toekomstgericht beleid van de overheid er, wat hij als een belangrijke stap ziet.
Vraag uit de zaal
Vanuit het publiek reageerde Reinier van Zutphen (Nationale Ombudsman). Hij vroeg zich af of organisaties, wanneer zij jongeren uitnodigen om mee te praten, hen wel voldoende ruimte bieden om echt hun eigen perspectief in te brengen. Worden jongeren niet te snel in het bestaande keurslijf van organisaties gedrukt? Hoe zorg je ervoor dat hun inbreng werkelijk tot zijn recht komt?
Pim herkende deze zorg en benoemde het risico van tokenisme: jongeren die wel zichtbaar worden betrokken, maar in de praktijk weinig echte invloed hebben. Bijvoorbeeld wanneer zij alleen op de foto gaan met bestuurders, of pas in een laat stadium worden gevraagd om mee te praten. Bij de NJR is daarom een speciaal expertiseteam ingericht dat zich bezighoudt met de vraag hoe jongeren betekenisvol kunnen participeren. Dat vraagt om duidelijke bouwstenen: jongeren moeten zelf mede kunnen bepalen wat er op de agenda komt, zij moeten betrokken worden bij het proces en niet alleen bij het eindresultaat.
Uit de zaal kwam het dilemma naar voren dat niet iedereen financieel in staat is om zelf een noodpakket aan te schaffen. Marlies Ledegang (D66 Ouder-Amstel) en Indra Deckers (Gemeente Echt-Susteren) wezen erop dat juist deze inwoners goed voorbereid moeten zijn, omdat het om hun veiligheid gaat. Voor mensen die onder de armoedegrens leven is dat echter niet vanzelfsprekend: wie honger heeft, eet het eten meteen op en geld voor noodgevallen wordt gebruikt om vandaag rond te komen. De vraag was daarom wat de gemeente hierin kan betekenen, en hoe je daarover communiceert zonder het idee te wekken dat mensen niet meer voor zichzelf of voor elkaar hoeven te zorgen. Daarbij werd ook verwezen naar corona, waar bijvoorbeeld vaccinaties gratis waren, wat het gevoel kan versterken dat de overheid het uiteindelijk wel oplost.
Martijn onderstreepte dat de lokale overheid er juist moet zijn voor deze groep. Het gaat volgens hem om de ‘niet-geziene’ mensen met mogelijke kwetsbaarheden: inwoners die niet altijd direct in beeld zijn, maar voor wie de gevolgen van een weerbaarheidsvraagstuk groot zijn. Pim sloot daarbij aan met zijn eerdere pleidooi voor betekenisvolle betrokkenheid. Vraag het aan de mensen zelf, benadrukte hij. Alleen door in gesprek te gaan met de groepen om wie het gaat, kun je begrijpen wat zij nodig hebben.
Tegelijkertijd werd benoemd dat gemeenten structureel te maken hebben met een gebrek aan middelen. Zij krijgen steeds meer taken, terwijl de financiële ruimte onder druk staat. Dat maakt het lastig om dit soort vraagstukken goed op te pakken. Toch sprak Martijn hier ook enige hoop uit, met het oog op de komende formatie. Hij verwacht dat er meer ruimte en mogelijkheden kunnen ontstaan voor gemeenten om daadwerkelijk werk te maken van weerbaarheid, juist voor de inwoners die het meest kwetsbaar zijn.
Mariëtte sloot de bijeenkomst af met een inhoudelijke reflectie op wat was besproken. Vanuit haar ervaring - onder andere als regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en vanuit haar tijd bij de SER (bijvoorbeeld bij het opzetten van het SER-jongerenplatform) - benadrukte zij dat dit soort trajecten, net als het weerbaarheidsvraagstuk, laten zien dat het niet alleen gaat om het bouwen van nieuwe structuren, maar vooral om cultuurverandering. We moeten ervoor waken, zo gaf zij aan, dat weerbaarheid een puur systeem- of structuurverhaal wordt. Het gaat juist ook om cultuur, om gedrag en om de manier waarop we met elkaar omgaan. Daarmee sloot zij nadrukkelijk aan bij het verhaal van Karen. Weerbaarheid gaat verder dan voorzieningen en regels; het gaat over relaties tussen mensen, over vertrouwen en empathie, en over de vraag hoe we elkaar weten te vinden wanneer het erop aankomt. Tegelijkertijd zit daar ook de complexiteit: cultuurverandering moet uiteindelijk doorwerken in structuur. In beleid en regels. Weerbaarheid is daarmee geen opgave van de overheid alleen, maar een gezamenlijke opgave van de samenleving als geheel.
Zij bedankte alle aanwezigen voor hun bijdrage. De ROB gaat met dit thema verder aan de slag en Mariëtte nodigde iedereen uit om het gesprek met de ROB hierover voort te zetten – we horen graag van iedereen die hierover wil meedenken.
|
De ROB gaat verder aan de slag met het thema Samen werken aan weerbaarheid. Wij stellen uw mening zeer op prijs en nodigen u van harte uit om hierover met ons in gesprek te gaan. Wilt u meepraten? Neem dan gerust contact op met Daan Musters (daan.musters@raadopenbaarbestuur.nl) en Martijn Visser (martijn.visser@raadopenbaarbestuur.nl). We horen graag van u! |























