Hoewel regio’s geen formele plek hebben (als bestuurslaag) in de inrichting van het openbaar bestuur, wordt de regionale schaal steeds vaker gebruikt om maatschappelijke opgaven aan te pakken. Ook zoeken verschillende overheden elkaar steeds vaker op in ‘de regio’ om samen te werken. Tegelijk zijn er ook knelpunten: de vaak sectorale indeling bemoeilijkt integrale sturing, de afstand tot het gekozen bestuur leidt tot een democratisch tekort en over het ontwerp van regio’s wordt onvoldoende nagedacht. Dat zorgt voor dilemma’s rond democratische legitimiteit, congruentie en het organiseren langs lijnen van inhoud. Doordat er meer op regionaal niveau wordt opgepakt, verandert de rol van gemeenten en provincies in het openbaar bestuur. Rijk, provincies en gemeenten proberen zich ieder op hun eigen manier te verhouden tot de regio. Het openbaar bestuur verandert daardoor, zonder dat hier bewuste keuzes aan ten grondslag liggen.

In de Kamerbrief Strategische agenda's regio en Rijk (1 juli 2026) kondigt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) aan dat hij werkt aan een visie op de regio en regionale samenwerking: ‘Ik zie namelijk dat de regio steeds belangrijker wordt als schaal waarop overheden, maatschappelijke organisaties en economische partners samenkomen rond opgaven die werkgebieden en taken van individuele overheden overstijgen. Met een visie op de regio en regionale samenwerking wil ik bijdragen aan een toekomstbestendige bestuurlijke inrichting van Nederland, met daarbinnen een duidelijke positie van de regio en regionale samenwerking.’ De minister verwacht de Tweede Kamer hierover eind 2026 te informeren.

Over de regio, regionaal bestuur en interbestuurlijke verhoudingen hebben de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) en de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv, in 2017 samengegaan met de ROB) de afgelopen vijfentwintig jaar meermaals geadviseerd, bijlage I geeft een overzicht van de relevante adviezen. Dit is geen nieuw advies, maar een position paper waarin de ROB een aantal zaken op een rij zet voor de visie die BZK ontwikkelt.

Vijf vragen voor een nieuwe visie op de regio en het regionaal bestuur

Op grond van vijfentwintig jaar ROB-advies: welke vragen zouden bijdragen aan een visie op de regio en regionaal bestuur? De ROB stelt er vijf voor:

  1. Waarom wil het Rijk regionale samenwerking — welk probleem lost die op dat gemeenten of provincies niet zelf kunnen oplossen?
  2. Waarom wil de provincie of de gemeente regionale samenwerking?
  3. Wat ís een regio, en waaraan moet een regio minimaal voldoen om taken te mogen uitvoeren?
  4. Hoe wordt de democratische legitimatie geregeld: waar liggen welke bevoegdheden, en wie stemt in met de begroting?
  5. Wie bekostigt de regio of regionale samenwerking — rechtstreeks vanuit het Rijk of via de gemeenten — en welke bevoegdheden horen bij die keuze?
  6. Binnen welke kaders mogen nieuwe regio-indelingen tot stand komen, en hoe wordt congruentie geborgd?
  7. Wat is het handelingsperspectief op de regio van het Rijk, van de provincie en van de gemeente? Wat is het handelingsperspectief van de regio zélf?

De inkadering van regionale samenwerking zou moet passen binnen de principes van goed openbaar bestuur, waarin bevoegdheid en verantwoordelijkheid, en doeltreffendheid en doelmatigheid, hand in hand gaan.
 

Versterk de stelselverantwoordelijkheid van de minister van BZK 

De stelselverantwoordelijkheid van de minister van BZK moet wettelijk worden versterkt als het gaat om het beleid van het Rijk dat betrekking heeft op het decentraal bestuur. De minister van BZK is binnen het kabinet verantwoordelijk voor de coördinatie van Rijksbeleid richting het decentraal bestuur en regio’s. De minister van BZK is steeds medeondertekenaar van wetten die de decentrale overheden en regio’s rechtstreeks raken in hun takenpakket, financiën en bevoegdheden. Dit houdt bijvoorbeeld in dat toedeling van taken door vakdepartementen aan decentrale overheden en regio’s niet kan plaatsvinden zonder instemming van de minister van BZK.

De versterking van de stelselverantwoordelijkheid van de minister van BZK dient naast het doel om het  Rijksbeleid te coördineren, ook het doel om de rol als hoeder van het decentrale bestuur richting het Rijk beter te vervullen en processen over regionale opgaven ‘van onderop’ te ondersteunen. Dat kan de minister onder meer realiseren door goed te luisteren naar regio’s. Maak daarom de minister van BZK scherper dan nu verantwoordelijk voor de inrichting van het openbaar bestuur ten aanzien van de regio, regionale samenwerking en interbestuurlijke verhoudingen. Met als doel het vergemakkelijken van de samenwerking tussen decentrale overheden en het Rijk.